Astronomie (begrippen)

EB

Eb is een getijde waarbij het zeewater afloopt, in tegenstelling tot vloed waarbij het watervlak stijgt. Eb en vloed ontstaan onder invloed van vooral de Maan. Aan het einde van de eb periode is de waterstand minimaal: dit heet 'laagwater' of 'laagtij'. Bij ondiep water kan de zeebodem tijdens laagwater droog komen te staan, waardoor de kuststrook, zoals het strand, breder kan worden. In de Waddenzee zorgen drooggevallen zandplaten bij laagwater ervoor dat men kan wadlopen. Een veelvoorkomende vergissing is het verwarren van eb en laagwater. Direct na hoogwater begint eb reeds, terwijl de waterstand dan nog steeds heel hoog is; direct na laagwater is het vloed, terwijl de waterstand dan nog minimaal is.


Zie ook de getijde. Klik hier.

EMISSIELIJN

Een emissielijn is een spectraallijn, een smal kleurgebied waarin een voorwerp helderder schijnt dan bij andere nabije kleuren. Het schijnen van een voorwerp is het uitzenden van licht of andere elektromagnetische straling. Een voorwerp kan licht uitzenden wanneer atomen in het voorwerp energie verliezen. Dit gebeurt wanneer een elektron van een hoger energieniveau tot een lager energieniveau vervalt. De reden hiervan is dat elektronen in een bepaalde stof alleen heel specifieke energieniveaus kunnen hebben die kwantummechanisch bepaald zijn. Als een elektron van een hoger naar een lager energieniveau vervalt wordt er een foton uitgezonden dat een energie (ofwel golflengte) heeft die overeenkomt met het verschil tussen de twee energieniveaus volgens: E = hν
(met h de constante van Planck) en ν (Griekse nu) de frequentie en E de energie voor een lichtkwantum (foton).


Zie ook de absorptielijn. Klik hier.

FOTOSFEER

De fotosfeer is de diepste laag van de atmosfeer van de Zon (of van andere sterren). Bijna alle licht dat we van de Zon (of van andere sterren) waarnemen, komt uit hun fotosfeer. Als onderkant van de fotosfeer wordt genomen de diepste laag waarvan we de uitgezonden straling direct kunnen waarnemen; deze laag geldt als "oppervlak" van de Zon. Vanaf dit "oppervlak" reikt de fotosfeer tot een hoogte van ongeveer 300 à 500 km, tot een laag waar de temperatuur een minimum bereikt: de temperatuur daalt van ongeveer 6500 K aan het zons"oppervlak" tot 4500 K aan de bovenkant van de fotosfeer. Daarboven begint de chromosfeer en gaat de temperatuur met toenemende hoogte weer stijgen. De dichtheid in de fotosfeer reikt van 0,3 g/m3 aan het zonsoppervlak (4000 keer kleiner dan de dichtheid van lucht op zeeniveau op Aarde) tot 0,01 g/m3 bij de overgang naar de chromosfeer (200.000 keer ijler dan onze lucht). Bijna de hele fotosfeer is bedekt met granulatie, een korrelig, wriemelend patroon van steeds wisselende cellen heet gas, dat het gevolg is van de convectiestromen die de energie uit het binnenste van de Zon naar zijn oppervlak transporteren.


EPICYKELS

Epicykels zijn hulpcirkels, bedoeld om de schijnbare bewegingen van de planeten aan het uitspansel te kunnen verklaren. Deze hulpcirkels zijn bedacht door Claudius Ptolemaeus. In zijn tijd ging men ervan uit dat de aarde in het middelpunt van het zonnestelsel stond, en dat de Zon, maan en planeten eromheen draaiden. In de door godsdienst gecontroleerde wetenschap moesten alle banen perfect zijn: cirkelvormig. Men kon met zuiver cirkelvormige banen de beweging van de planeten aan het firmament niet verklaren. Een eerste probleem was de soms retrograde (schijnbaar terugwaartse) beweging van de planeten. Dit probleem kon nog worden opgelost met een enkele epicykel die dezelfde middellijn heeft als de baan van de Zon om de Aarde. Er waren echter meer afwijkingen, die minder groot waren, en dat loste Ptolemaeus op met een reeks van epicykels.


Epicykels. Klik hier

De planeten zouden in een perfecte cirkel om de Aarde draaien. Deze denkbeeldige baan werd de deferent genoemd. Tijdens het draaien zouden de planeten in cirkels, de epicykels, draaien om het middelpunt van de deferent. De belangrijkste epicykels zijn even groot als de baan van de Zon om de Aarde. Bovendien is de omloop in de epicykels synchroon met de Zon. Zo kon de schijnbare beweging van de planeten aan de hemel worden verklaard, inclusief de lusvorming die inhoudt dat een planeet schijnbaar achterwaarts beweegt. Ptolemaeus moest honderden van deze epicykels gebruiken om alle 'lussen' te kunnen verklaren.


GRIJZE NACHTEN

Elk jaar tussen 20 mei en 20 juli krijgt men het verschijnsel aan de hemel dat men grijze nachten noemt. Dit wil zeggen dat de zon niet volledig ondergaat en dat het dus ook niet volledig donker wordt. Dit komt omdat de Zon niet meer dan 18° onder de horizon gaat (voor België). Het blijft dus tijdens de hele nacht schemeren.


WITTE NACHTEN

Een witte nacht is een nacht waarin het niet volledig donker wordt. Zulke nachten komt men tegen op plaatsen die 60 graden of meer boven de evenaar liggen, zodat de zon niet volledig achter de horizon kan wegzakken en ook 's nachts blijft schijnen. Men kan de dagelijkse activiteiten zoals lezen voortzetten zonder een kunstmatige lichtbron te gebruiken. De stad Sint-Petersburg staat bekend om haar witte nachten. De periode van mei en juni heeft heldere nachten, maar de echte witte nachten duren van 11 juni tot 2 juli.


GZK LIMIET

De GZK-limiet is in 1966 opgesteld door Kenneth Greisen, Vadim Kuzmin and Georgiy Zatsepin. Het is de theoretische bovengrens van de energie die kosmische straling kan hebben. Een jaar na de ontdekking van de kosmische achtergrondstraling voorspelden ze dat kosmische straling met een energie groter dan 6×1019 eV zal reageren met de fotonen van de kosmische achtergrondstraling waarbij pionen zullen ontstaan. Doordat de botsingskans toeneemt met de afstand, zal extragalactische kosmische straling die een afstand van meer dan 50 megaparsec (163 miljoen lichtjaar) aflegt tot de Aarde, geen energie meer kunnen hebben groter dan de GZK-limiet, aangezien er geen objecten zijn die binnen die afstand deze deeltjes kunnen produceren.


HALO

Een halo in de astronomie is de min of meer bolvormige ruimte die een melkwegstelsel omsluit waarbinnen de zwaartekracht van het melkwegstelsel nog invloed uitoefent. De halo is geconcentreerd in de richting van het centrum en wordt naar buiten steeds ijler. In de halo bevinden zich de bolvormige sterrenhopen. Naast bolvormige sterrenhopen bevinden zich ook losse sterren in de halo, de dichtheid aan sterren is echter veel minder dan die in de spiraalarmen en in de kern van het sterrenstelsel. De sterren van de halo nemen geen deel aan de beweging van de zon en de andere sterren van de spiraalarmen van het melkwegstelsel om het middelpunt van dit stelsel. De diameter ervan in ons melkwegstelsel is aan de orde van 100.000 lichtjaren. Over het algemeen zijn de objecten in de halo zeer oud. De gemiddelde leeftijd van de sterren in bolvormige sterrenhopen is meer dan 13 miljard jaar, slechts weinig jonger dan het heelal zelf, dat volgens de huidige inzichten 13,7 miljard jaar oud is. Bolvormige sterrenhopen zijn min of meer gelijkmatig verdeeld over de halo. Dit heeft bijgedragen aan ons begrip dat de Zon zich niet in het centrum van de melkweg bevindt maar aan de rand ervan.

Bestudeer eerst bovenstaande cursus.
IN ONDERSTAANDE GEGEVENS STAAN ER VAAK HYPERLINKS. KLIK ER OP EN LEES OOK DIE TEKSTEN.
ER WORDEN DAAR VRAGEN OVER GESTELD.

Antwoorden te halen uit bovenstaande gegevens. Selecteer het antwoord dat je het meest juist lijkt en/of vul in.

MEN KAN DE OEFENING OOK OPNIEUW MAKEN, DOOR MET DE RECHTERMUISTOETS OP HET SCHERM TE KLIKKEN EN DAN IN HET GEOPENDE VENSTER, INDIEN HET WOORD ER STAAT, TE KLIKKEN OP "VERNIEUWEN"