Thema6 : Onderzoek de zinnen.

Vul in met lidwoord, zelfstandig naamwoord, werkwoord, bijvoeglijke naamwoord.
© Jan Aerts 2013

Klik hier voor meer uitleg
krant.gif




1. Tijdens de pauze keken we naar een leuke film.

Over wie of waarover wordt er iets gezegd in de zin ?
Onderwerp :


Wat wordt er over het onderwerp gezegd ?
Rest van de zin :


Welke zinsdelen in de rest van de zin zeggen wat het onderwerp doet of wat ermee gebeurt ?


Welke zinsdelen in de rest van de zin geven een antwoord op de vraag : WAT ?


Welke zinsdelen in de rest van deze zin geven een antwoord op de vraag : WANNEER ?



2. De jongen werd gisteren ziek.

Over wie of waarover wordt er iets gezegd in de zin ?
Onderwerp :


Wat wordt er over het onderwerp gezegd ?
Rest van de zin :


Welke zinsdelen in de rest van de zin zeggen wat het onderwerp doet of wat ermee gebeurt ?


Welke zinsdelen in de rest van deze zin geven een antwoord op de vraag : WANNEER ?




3. Op mijn verjaardag krijg ik leuke verrassingen.

Over wie of waarover wordt er iets gezegd in de zin ?
Onderwerp :


Wat wordt er over het onderwerp gezegd ?
Rest van de zin :


Welke zinsdelen in de rest van de zin zeggen wat het onderwerp doet of wat ermee gebeurt ?


Welke zinsdelen in de rest van de zin geven een antwoord op de vraag : WAT ?


Welke zinsdelen in de rest van deze zin geven een antwoord op de vraag : WANNEER ?




4. Bij zijn thuiskomst schenkt hij zijn vrouw een nieuwe auto.

Over wie of waarover wordt er iets gezegd in de zin ?
Onderwerp :


Wat wordt er over het onderwerp gezegd ?
Rest van de zin :


Welke zinsdelen in de rest van de zin zeggen wat het onderwerp doet of wat ermee gebeurt ?


Welke zinsdelen in de rest van deze zin geven een antwoord op de vraag : WAT ?


Welke zinsdelen in de rest van deze zin geven een antwoord op de vraag : WANNEER ?




5. Door dat gebaar is de vrouw heel gelukkig.

Over wie of waarover wordt er iets gezegd in de zin ?
Onderwerp :


Wat wordt er over het onderwerp gezegd ?
Rest van de zin :


Welke zinsdelen in de rest van deze zin zeggen wat het onderwerp doet of wat ermee gebeurt ?


Welke zinsdelen in de rest van deze zin geven een antwoord op de vraag : WAARDOOR ?





6. Ze geeft hem dadelijk een dikke knuffel.

Over wie of waarover wordt er iets gezegd in de zin ?
Onderwerp :


Wat wordt er over het onderwerp gezegd ?
Rest van de zin :


Welke zinsdelen in de rest van de zin zeggen wat het onderwerp doet of wat ermee gebeurt ?


Welke zinsdelen in de rest van deze zin geven een antwoord op de vraag : WAT ?


Welke zinsdelen in de rest van deze zin geven een antwoord op de vraag : WANNEER ?




7. Na twee jaar krijgt de jongen een nieuwe fiets.

Over wie of waarover wordt er iets gezegd in de zin ?
Onderwerp :


Wat wordt er over het onderwerp gezegd ?
Rest van de zin :


Welke zinsdelen in de rest van de zin zeggen wat het onderwerp doet of wat ermee gebeurt ?


Welke zinsdelen in de rest van deze zin geven een antwoord op de vraag : WAT ?


Welke zinsdelen in de rest van deze zin geven een antwoord op de vraag : WANNEER ?